
Hoe in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen?
Vrijdag 23 juni 2023, LKCA Kantoor, Utrecht
Op vrijdagochtend werd het langverwachte rapport ‘Dirigenten en bestuurders in beweging’ gepresenteerd.
Het rapport is tot stand gekomen op verzoek van het EAN (Expertisenetwerk Amateurmuziek Nederland), waarbij intensief werd samenwerkt met KNMO, BvOI, Musidesk Rijnbrink, WMC en LKCA.
De centrale vraag die op tafel lag was: Hoe kunnen dirigenten, instructeurs en muzikaal leiders in de HAFABRA-sector meebewegen met maatschappelijke ontwikkelingen als vergrijzing en krimp van ledenaantallen?
Welke competenties hebben zij nodig? En komen deze competenties voldoende aan bod in de dirigentenopleidingen? Er werd literatuurstudie gedaan, diepte-interviews afgenomen en er werden vragenlijsten ingevuld door zowel dirigenten als bestuurders.
Al eerder was het rapport online beschikbaar, en op deze ochtend werden geïnteresseerde aanwezigen meegenomen in een korte duiding en reactie van betrokken partijen. Er was ruimte om vragen te stellen aan de onderzoekers en aanwezigen gingen in groepjes met elkaar in discussie. Jan van den Eijden (LKCA) overhandigde aan afgevaardigde bestuurders van de BvOI, Musidesk Rijnbrink en KNMO symbolisch de “eerste exemplaren” van het onderzoeksrapport.*

Jan van den Eijnden overhandigt de eerste exemplaren van het rapport.
Eén van de onderzoekers, Amalia Deekman gaf vanuit het onderzoeksteam duiding aan het onderzoek en stipte enkele opvallende zaken aan, en citeerde uit de interviews :
“Die pedagogische, sociale kant wordt helemaal niet beoordeeld bij examens. Het kan dat je alles weet, maar dat je geen leuk mens bent voor zo’n orkest.”
Een deel vindt dat de opleiding de toekomstige dirigenten niet optimaal voorbereidt op het werken met mensen in een orkest, waarbij meer aspecten een rol spelen dat enkel de nootjes en het vaktechnisch dirigeren.

Amalia Deekman geeft duiding aan het rapport.
Ook hield Amalia een hartverwarmend pleidooi voor meer inclusie en diversiteit. Het is een sterk maatschappelijke thema, maar dat in de sector niet of nauwelijks terug te vinden is. De met traditie doorspekte sector lijkt meer inclusie en diversiteit maar moeilijk in te kunnen of willen passen. Als voorbeeld werden Caribische brassbands genomen, die niet worden gezien als onderdeel van de Nederlandse muziektraditie en ook niet vertegenwoordigd zijn binnen de officiële organisaties en helaas ook niet in het onderzoek terugkomen.
Jan van den Eijnden (namens LKCA) sloot hierbij aan: “Door tradities raakt de sector vastgeroest en dat leidt tot spanningsvelden en dat leidt weer tot problemen. Als we tradities niet ter discussie stellen, kan de dalende lijn niet gekeerd worden”, verwijzend naar het sterk afgenomen aantal muzikanten in de blaasmuziek.
“Tradities mogen geen conformisme worden, dat kan participatiekansen in de weg zitten.”
Hoe kunnen we als sector nu zodanig anticiperen dat we problemen voor zijn? Jan pleit voor een breder kwaliteitsbegrip van muzikale professionals en dat kwaliteit meer is dan zo goed mogelijk scoren op een concours. Het gaat om zaken als speelplezier, sociale contacten, ontspanning en mentaal welbevinden. Als deze zaken buiten beschouwing worden gelaten, en alleen presenteren telt, verliezen we de focus op basale activiteiten zoals muziekeducatie. Kortom; er moet meer waardering komen voor het educatieve aspect. En daarbij hoort ook meer gelijkwaardigheid. Behandel een dirigent van een jeugdorkest net zo als een dirigent van een A-orkest. De basis moet goed zijn, dus deze dirigenten zijn van groot belang. Er zijn voorbeelden uit Amerika waarbij deze professionals juist beter verdienen, omdat zij die belangrijke basis moeten leggen.
Vanuit de opleidingen moet niet meer alleen worden uitgegaan van het ideaalplaatje van een zo goed mogelijke dirigent opleiden (vaktechnisch gezien), maar worden gezocht naar een type muziekprofessional die het muziekleven kan versterken, zodat de sector weer aantrekkelijk wordt voor een brede laag van de samenleving. Zie een orkest als een maatschappij in het klein.
Frank de Jong (BvOI) en Johan Jansen (KNMO) reageerden samen op het rapport. Ze spraken de waardering uit richting onderzoekers en gaven aan dat het rapport stof tot nadenken geeft. Beide partijen willen zich conformeren aan de uitkomsten van het rapport.
“Het is nu aan ons, en tijd om actie te ondernemen.”
Voor de KNMO zal de focus vooral richting de verenigingen zijn, de BvOI zal zich met name richten op de dirigenten. Maar toch zullen ze ook veel samen willen optrekken om de gehele organisatiestructuur te versterken; als het in de top van een organisatie goed zit, sijpelt dat door in de rest van de organisatie.

Frank de Jong en Johan Jansen geven gezamenlijk een reactie.
Het laatste deel van de bijeenkomst bestond uit het doornemen van stellingen, discussie daarover voeren en actiepunten formuleren. Dat deden de aanwezigen in kleine groepjes. Het voert te ver om het allemaal door te nemen, maar een deel van de actiepunten die uiteindelijk geformuleerd zijn, waren:
- Samen optrekken; kom van je eigen eilandje af en bundel je krachten;
- Meer inclusie en diversiteit aanbrengen door verder te kijken naar alleen HAFABRA en tradities;
- Maak intervisie en bijscholing “gewoon”, veilig en gelijkwaardig; daardoor drempelverlagend;
- Neem differentiatie (meer dan hafabra, pedagogisch, educatief, sociaal) mee in het curriculm van de conservatoria;
- Beloon professionals eerlijk en gelijkwaardig.

Korte samenvatting van de discussies en actiepunten worden gezamenlijk doorgenomen.
Alle aanwezigen ontvingen een papieren exemplaar van het rapport en konden napraten tijdens een lekkere lunch.
Heeft u nog vragen over het onderzoek? Stuur gerust een mail naar info@bvoi.nl
Verslag: Gera Pas-Clements
*Dit openbaar beschikbare rapport is een verkorte, leesbare versie van het vuistdikke rapport dat hieraan ten grondslag ligt.
